seksuele_levensloop

De seksuele levensloop

Verliefdheid en (seksuele) relaties

  • Samenvatting

    Kleuters geven soms zelf al aan dat ze ‘verliefd’ zijn. Aan het einde van de kindertijd hebben kinderen al wel eens ‘verkering’, meestal met iemand uit de klas. Deze relatie bestaat vaak alleen uit het bij elkaar staan in de pauze of met een groep vrienden rondhangen. Vanaf een jaar of 15 worden de contacten met partners persoonlijker, en vanaf een jaar of 19 gaan relaties ook steeds langer duren. Veel stellen gaan na verloop van tijd samenwonen of trouwen. Als er kinderen komen, worden partners ineens meer ouders dan geliefden. Gemiddeld neemt de relatietevredenheid dan (tijdelijk) af, maar dat geldt niet voor iedereen. Bij een eventuele scheiding, is het lastiger om een nieuwe partner te vinden als iemand ouder is. Ook het hebben van kinderen werkt belemmerend. Vrouwen boven de 55 hebben een veel kleinere kans om opnieuw samen te gaan wonen of te trouwen dan mannen. Een kwart van de vrouwen en 1 op de 5 mannen wil geen relatie meer. Na het overlijden van de partner worden sommige ouderen opnieuw verliefd. Rouw en schuldgevoel kunnen het aangaan van een nieuwe relatie ingewikkelder maken.

  • Conceptie t/m 5 jaar

    Kleuters geven soms zelf al aan dat ze ‘verliefd’ zijn. Ouders beschrijven deze gevoelens van verliefdheid vaak als sterke genegenheid, of graag bij de ander in de buurt willen zijn.

  • Kindertijd (6 tot en met 11 jaar)

    Vanaf een jaar of 8 kunnen vrijwel alle kinderen beschrijven hoe het voelt om verliefd te zijn. Aan het eind van deze levensfase zijn de meeste kinderen wel eens verliefd geweest. Sommige kinderen hebben dan ook ‘verkering’, meestal met iemand uit de klas. Deze relatie bestaat vaak alleen uit het bij elkaar staan in de pauze of met een groep vrienden rondhangen. Er is nauwelijks lichamelijk contact, ook geen handen vasthouden of zoenen. Ze brengen ook zelden tijd met elkaar door zonder anderen erbij. Jongeren die zich aangetrokken voelen tot hun eigen seksegenoten kunnen zich al bewust worden van deze gevoelens.

  • Vroege adolescentie (12 tot en met 14 jaar)

    De meeste vroeg-adolescenten zijn wel eens verliefd geweest en ruim twee derde heeft ook wel eens verkering gehad. Dergelijke relaties zijn op deze leeftijd over het algemeen oppervlakkig. Het maakt nog niet zo heel veel uit met wie men verkering heeft. Partnerkeuze baseert men bijvoorbeeld vooral op het feit of iemand populair of knap is. Ook onderneemt een stel nog niet veel samen, maar wel iets meer dan op de basisschool.

  • Midden adolescentie (15 tot en met 18 jaar)

    Vrijwel alle 15- tot en met 17-jarigen zijn wel eens verliefd geweest. 4 op de 5 hebben ook wel eens verkering gehad. Bij 15-jarigen worden de contacten met partners persoonlijker. Ze worden met meer zorg uitgekozen, maar nog wel grotendeels op uiterlijk. De meeste 16- en 17-jarigen hebben kortdurende verkeringen. Op deze leeftijd is het leren kennen en aangeven van de eigen wensen en grenzen een belangrijk aandachtspunt. Voor de meeste jongeren vindt seks plaats binnen een vaste relatie.

  • Late adolescentie (19 tot en met 24 jaar)

    Relaties gaan in deze levensfase iets langer duren. Binnen relaties gaan vertrouwen en steun een belangrijkere rol spelen. Toch worden relaties op deze leeftijd ook nog wel vaak na kortere of langere tijd beëindigd, waarna weer een nieuwe vaste relatie wordt aangegaan. Dit patroon noemt men ook wel seriële monogamie.

  • Volwassenheid (25 tot en met 39 jaar)

    Aan het begin van deze levensfase worden nog veel nieuwe partnerrelaties gevormd. Binnen deze relaties gaan de romantiek en passie van het begin geleidelijk over in een meer kameraadschappelijke vorm van liefde. Veel stellen gaan na verloop van tijd samenwonen of trouwen. Ze zijn dan eerst nog een tijd samen voordat er eventueel kinderen komen. Als die er komen, verandert de relatie tussen de partners. Na de bevalling staat het leven van veel partners helemaal in het teken van het kind. Ze zijn dan ineens meer ouders dan geliefden. Er moet weer een balans gevonden worden tussen de rol van ouder en de rol van partner. Gemiddeld neemt de relatietevredenheid dan (tijdelijk) af, maar dat geldt niet voor iedereen.

  • Midlife (40 tot en met 54 jaar)

    Wanneer mensen op deze leeftijd een relatie verbreken, willen zij meestal in de nabije toekomst wel weer een nieuwe partner. Niet iedereen weet deze wens te realiseren. Hoe ouder iemand is bij scheiding, hoe lastiger het is om een nieuwe partner te vinden. Ook het hebben van kinderen werkt belemmerend: ouders met thuiswonende kinderen hebben minder gelegenheid om een nieuwe partner te ontmoeten of stellen het aangaan van een nieuwe relatie bewust uit. Omdat kinderen na scheiding vaker bij hun moeder wonen, gaan vrouwen na scheiding minder vaak een nieuwe relatie aan. Bovendien hebben vrouwen vaker een voorkeur voor een latrelatie boven opnieuw samenwonen of trouwen.

  • Derde levensfase (55 tot en met 74 jaar)

    Vrouwen die in deze levensfase alleen komen te staan, hebben een veel kleinere kans om opnieuw samen te gaan wonen of te trouwen dan mannen. Hoe ouder men is, hoe kleiner de kans op een nieuwe relatie. Van de ongehuwde 50-plussers willen mannen in de toekomst het liefst samenwonen. Vrouwen geven echter de voorkeur aan een latrelatie. Zowel mannen als vrouwen kiezen voor een latrelatie omdat ze hun vrijheid willen behouden. Een kwart van de vrouwen en 1 op de 5 mannen wil geen relatie meer. Een kwart daarvan wil dit niet vanwege slechte ervaringen met vorige relaties. Dat geldt 2 keer zo vaak voor vrouwen als voor mannen.

  • Vierde levensfase (75 jaar en ouder)

    Na een scheiding of verweduwing worden sommige ouderen opnieuw verliefd en gaan nieuwe intieme relaties aan. Door het ‘mannentekort’ wordt het voor heteroseksuele oudere vrouwen wel steeds lastiger om een nieuwe partner te vinden. Ook kunnen rouw en schuldgevoel jegens de overleden partner het aangaan van een nieuwe relatie ingewikkelder maken. Daarbij is een huwelijk niet meer zo vanzelfsprekend. Steeds vaker kiezen ouderen voor latrelaties en samenlevingsvormen waarbij de eigen onafhankelijkheid beter gewaarborgd blijft.